Veldwerk in Azië

Maar wat nou als je het níet begrijpt?

Jeruzalem

Geschreven door Tessa de Jonge

Op het scherm van mijn telefoon is een foto te zien met kogels en een hoop bloed. De foto is wat donker, maar de
kwaliteit is goed. Het is geen nieuwsfoto bij een artikel over een enge plek ver weg. Een paar kilometer verderop is een vriend van een informant gedood door Israëlische soldaten, bij een inval in zijn huis in Ramallah. Er volgen meer foto’s, wederom met bloed en kogels. Zijn lichaam is niet te zien, omdat het nog wordt onderzocht door het leger. Tot woede van zijn familie en mijn informant. Als antropoloog wil je begripvol zijn, je inleven in je informant en je empathisch opstellen. Maar hoe doe je dat in zo’n situatie? Ik heb natuurlijk geen idee hoe het is, als een van je beste vrienden wordt vermoord. En doen alsof, lijkt me al helemaal niks.

Een paar weken later toont mijn telefoon wel een nieuwsartikel. Een Palestijnse vrouw is doodgeschoten bij Damascus Gate, misschien wel mijn favoriete plek hier in Jeruzalem. Als wraak voor de moord op haar zoon had ze geprobeerd soldaten met een schaar aan te vallen, wat ze met haar leven moest bekopen. Geschrokken stuur ik een vriend met wie ik daar regelmatig kom een berichtje. ‘Wat bizar hè?’, is mijn boodschap. Stomme fout natuurlijk, want voor hem is dit dagelijkse kost en juist niet bizar. Hij legt uit dat hij het schot hoorde, zich omdraaide, de dode vrouw zag en vervolgens rustig doorliep naar huis. Hij moest immers nog studeren; dat begreep ik vast wel. “Of course”, typ ik terug, maar daar is weinig van waar.

Opnieuw een paar weken later. Ik loop nu met twee vrienden door Damascus Gate. We gaan op de trappen bij de poort zitten, om even te genieten van de zon en om mensen te kijken. De stemming is ontspannen, tot verderop ineens twee jongens worden aangehouden. Ze lijken qua leeftijd en uiterlijk veel op de twee vrienden naast me. De
soldaten tikken met hun geweer de schoenen van de jongens aan, wat betekent dat die uit moeten. Dan met het geweer tegen de ruggen aan. Ook hun shirts moeten uit. In mijn beleving doen de jongens niks, ze zien er enkel Arabisch uit. In Nederland zou mijn linkse milieu hier een big deal van maken, maar hier is het opnieuw dagelijkse kost. Ik kijk mijn vrienden aan en hun ogen liegen er niet om. ‘Schrijf hier maar over, met je onderzoek’, zegt
hun blik. Het liefst op zo’n manier dat de hele wereld het leest.

In al deze scenario’s lijk ik midden in de actie te zitten. Jeruzalem als conflict-stad:wat waanzinnig spannend om hier als jonge antropoloog te zijn. Maar hoe meer aanslagen zich voordoen, en hoe vaker ik hoor dat familieleden van informanten in de gevangenis zitten, hoe meer ik me ervan bewust word dat ik nog altijd op veilige afstand van de actie zit. Als antropoloog kan je oneindig je best doen om je informanten te begrijpen, maar snappen
hoe het is om bang te zijn neergeschoten te worden op je weg naar huis, dat lukt niet. Dat is
waarschijnlijk maar beter ook.